Als pleegouder krijg je ook te maken met hulpverleners. Denk aan de pleegzorgwerker, jeugdbeschermer, en vaak ook behandelaren en/of therapeuten. Samenwerking is niet vrijblijvend. “In het belang van het kind is het belangrijk goed samen te werken. Dit is ook iets wat we van pleegouders verwachten”, zegt Bas, pleegzorgwerker bij William Schrikker Gezinsvormen (WSGV).

Wat vraagt samenwerking in de praktijk van pleegouders?

Samenwerking vraagt openheid, geduld en flexibiliteit. Denk aan overleggen, afspraken nakomen, meedenken over wat het kind nodig heeft en openstaan voor begeleiding of advies. Het zorgt er ook voor dat je als pleegouder wordt ondersteund en het kind de zorg krijgt die nodig is. Zeker bij kinderen met een beperking of een ontwikkelingsachterstand, of ouders met een licht verstandelijke beperking (LVB) is goede afstemming belangrijk.

Wat doet een pleegzorgwerker?

Bas: “Als pleegzorgwerker ben ik vooral een eerste aanspreekpunt voor pleegouders. Andere hulpverleners kijken anders naar het pleeggezin omdat zij hier wat verder vanaf staan. De pleegzorgwerker is juist nauw betrokken bij het pleeggezin.

Pleegouders kunnen bij de pleegzorgwerker terecht voor informatie, steun, advies en hulp bij praktische zaken als het invullen van formulieren. De pleegzorgwerker is er ook voor morele en emotionele steun. Want een plaatsing kan best emotioneel zijn. Wanneer er meer hulp nodig is in het pleeggezin dan de pleegzorgwerker kan bieden, kan hij of zij specifieke zorg regelen.

We weten ook dat het voor pleegouders niet altijd makkelijk is. Daarom druk ik pleegouders altijd op het hart: bel als er iets is. Wacht niet als het niet lekker gaat. Praat erover. Vraag hulp, deel je twijfels.”

Hoe helpt samenwerking?

Samenwerking is niet een extra belasting, het biedt steun. Als pleegouders sta je er niet alleen voor, je krijgt deskundige begeleiding die helpt om het kind veiligheid, structuur en passende zorg te geven.

Al voor de plaatsing van een kind in een pleeggezin is de pleegzorgwerker, Bas in dit geval, betrokken: “Om te kijken of er een goeie match is. Ook daarna blijf ik regelmatig in het gezin komen. In het begin is dat gemiddeld één keer per week, na een tijdje één keer per maand en uiteindelijk elke 6 weken. Eenmaal in de 6 weken is de minimale frequentie. Het exacte aantal blijft maatwerk. Meer wanneer het nodig is, minder als het goed gaat”.

Met wie krijgen pleegouders te maken?

Behalve met de pleegzorgwerker, krijgen pleegouders vaak te maken met een jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer (gezinsvoogd) heeft een wettelijke taak wanneer er sprake is van gedwongen kader. Dan voert hij of zij de maatregel uit die door de rechter is opgelegd. Als de ouders geen gezag meer hebben, heeft de jeugdbeschermer (voogd) dat. In het vrijwillig kader is er vaak een wijkteammedewerker die de regie heeft. Ouders spelen dan een grote rol bij beslissingen. Zij hebben immers het volledige gezag.

De jeugdbeschermer of wijkteamwerker denkt mee, geeft richting en helpt om beslissingen te nemen als dat nodig is.
Daarnaast krijgen pleegouders te maken met de school van het kind, behandelaars en/of therapeuten. Het ‘kernteam’ wordt gevormd door de ouders, pleegouders, pleegzorgwerker en jeugdbeschermer/wijkteamwerker.

Wat is het beste voor het kind?

Bas: “Soms willen pleegouders, om begrijpelijke redenen, bijvoorbeeld minder bezoek aan biologische ouders. De jeugdbeschermer kan, al dan niet in opdracht van de rechter, zeggen dat het toch moet. De pleegzorgwerker kan dan zoeken naar een goede oplossing voor alle partijen. Zodat het kind contact met zijn of haar ouders heeft, en het voor pleegouders te doen is. Het liefst zitten we regelmatig met alle hulpverleners, ouders en pleegouders samen aan tafel en bespreken we: wat gaat goed, wat zou beter kunnen en wat spreken we af? Hoe meer iedereen op één lijn zit, hoe beter het kind zich voelt. Want als ouders, pleegouders en hulpverleners goed samenwerken, profiteert het kind daar het meest van.”