Direct contact tussen het kind en de pleegzorgwerker of gedragswetenschapper is ontzettend belangrijk. Het geeft een beter beeld van het welzijn en de behoeften van het kind. Maar hoe help je kinderen om tijdens die contactmomenten open en eerlijk te zijn? En wat maakt contact anders als het kind een beperking of trauma heeft? Gedragswetenschapper Lushandra vertelt erover.

Als gedragswetenschapper is Lushandra verbonden aan de gezinshuizen van William Schrikker Gezinsvormen (WSGV). Ze ondersteunt zowel de gezinshuisouders als de kinderen. Lushandra moet minimaal drie keer per jaar een-op-een contact hebben met een kind, maar in de praktijk is dat veel vaker. “We kijken voor de verplichte rapportages bijvoorbeeld naar de veiligheid, wat het kind zegt over het contact met diens biologische ouders en hoe het zich in het gezinshuis voelt. Daarbuiten spreek ik de kinderen ook regelmatig. Ze mogen op eigen verzoek met mij praten en dat gebeurt ook. Dan ga ik bijvoorbeeld even wandelen met het kind. Soms zijn er gerichte hulpvragen. Zo help ik een meisje met emotieregulatie door haar psycho-educatie te geven. In andere gevallen ben ik bijvoorbeeld een soort brug tussen ouder en kind. Het is echt maatwerk.”

Hoewel gezinshuisouders professionals zijn, is een blik van buitenaf toch waardevol. “Soms interpreteren ze gedrag anders of zien ze iets niet. Dan is het fijn dat ik kindcontacten heb en dat naast het verhaal van gezinshuishouders kan leggen. Daar reflecteren we samen op. Gezinshuiskinderen zijn vaak heel loyaal aan hun gezinshuisouders. Dat kan het soms lastig maken om aan te geven wanneer ze iets niet leuk vinden. Daar help ik bij. Er is ook een vertrouwenspersoon, maar die komt maar twee keer per jaar en wisselt wel eens. Ik zie en spreek de kinderen veel vaker dan de vertrouwenspersoon, dus kan ik dingen meer in context plaatsen.”

Kinderen zijn sneller open als je aansluit bij het kind

Om een kind goed te helpen, is het belangrijk dat het eerlijk kan vertellen wat het voelt en nodig heeft. Daarvoor is het belangrijk om het kind geen druk op te leggen. Lushandra: “Als een kind niet met mij wil praten, doe ik dat ook niet. Een meisje wilde niet omdat ze me nog niet goed kende en geen fijne dag had gehad op school. Een paar maanden later zat ik twee uur lang met haar bij de paarden en praatten we over allerlei dingen. Door het kind voldoende tijd en ruimte te geven kan het open zijn.”

Wat verder helpt is om naar aanknopingspunten te zoeken. “Toen ik met het meisje naar de paarden ging, wist ik dat ze net een nieuw veulentje hadden. Het meisje kon dat aan mij laten zien en zo ontstond er een gesprek. Bij een ander kind sluit ik aan door Pokémon kaarten mee te nemen. Zo vertelde hij tijdens een spelletje dat hij zijn vader nooit meer wil zien. Dat laat zien hoe belangrijk maatwerk in zulke gesprekken is.”

Luisteren zonder oordeel

Kinderen zijn ook sneller open als je in een gesprek niet oordeelt. “Het helpt als kinderen het gevoel hebben dat wat ze ervaren er mag zijn en dat het niet hun schuld is. Dat doe ik door begrip te tonen en erkenning voor die gevoelens te geven. Desondanks lukt het niet altijd. Een kind zegt niet altijd alles of soms kloppen dingen toch niet helemaal. Maar ik vind de gesprekken altijd waardevol. Vaak kan ik daardoor een kind beter ondersteunen.”